Toelichting tentoonstelling van de Stichting Indisch Erfgoed te Apeldoorn
maandag, 25 oktober 2010 16:46

Tussen 1946 en 1970 zijn naar schatting 300.000 'Indische Nederlanders' vanuit het vroegere Nederlands-Indië naar Nederland gerepatrieerd. De Indische Nederlanders (ook wel Indo-Europeanen genoemd) zijn afstammelingen van gemengde verbintenissen tussen (meestal) Nederlandse vaders en autochtone moeders. Door hun Nederlandse opvoeding kwam Nederland hen bekend voor maar voelden velen zich in hun nieuwe vaderland ontheemd. De Indische Nederlanders vormen bij elkaar de grootste etnische minderheid in Nederland. Voor een deel zijn zij nog 'zichtbaar', maar opmerkelijk weinig 'hoorbaar'. Hoe is het deze groep sinds 1945 vergaan? Is er nog een 'eigen' identiteit terug te vinden bij de jongere generaties? Aan allen die op een of andere manier hun wortels in Nederlands-Indië hebben liggen, is deze website gewijd.


De koloniale samenleving
In de koloniale samenleving stonden de Nederlanders ('totoks') vanzelfsprekend bovenaan de maatschappelijke ladder. Zij vormden doorgaans het kader in het bedrijfsleven, de plantages, het ambtenarenapparaat en het leger. Tot het begin van de twintigste eeuw werden de 'totoks' meestal naar Indië uitgezonden om na hun diensttijd weer naar Nederland terug te keren. Daarna kwam er echter een tendens waarbij Nederlanders zich met hun gezin permanent in Indië vestigden en daar hun bestaan opbouwden. Hun kinderen kregen een Nederlandse opvoeding, echter met 'Indische' trekken.
De Indische Nederlanders, vormden een speciale categorie in de koloniale samenleving. Formeel waren zij gelijkgesteld aan de Europese bevolkingsgroep, maar in de praktijk namen zij op de maatschappelijke ladder ruwweg een positie in tussen de 'Inlandsche' en de Europese bevolkingsgroepen. Doorgaans genoten zij een Nederlandse opvoeding en richtten zich over het algemeen op de maatschappelijke positie van de Nederlanders. Zij waren bijzonder sterk vertegenwoordigd in de lagere en middelbare ambtenarenfuncties en in het KNIL, het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. Omdat de hogere ambtenarenbanen gewoonlijk werden toegewezen aan Nederlanders die tijdelijk in Indië verbleven, speelden Indische Nederlanders een belangrijke rol in de continuïteit van het koloniale bestuur. Eerder bestond er een vrij scherpe tweedeling tussen 'totoks' en Indische Nederlanders, omdat de laatstgenoemden vaak als 'minder capabel' werden beschouwd. Deze informele tweedeling leidde vanzelfsprekend tot grieven bij de 'Indo's' die zich in belangengroepen als het 'Indo-Europees Verbond' begonnen te organiseren. Net als de autochtone Indonesiërs streefden zij met wisselend succes vaar maatschappelijke emancipatie.

De Tweede Wereldoorlog in de archipel
Na de aanval op Pearl Harbor in december 1941 raakte Nederlands-Indië betrokken bij de oorlog tegen Japan. De Archipel werd stuk voor stuk door het Japanse leger veroverd en op 6 maart 1942 capituleerde het KNIL op Java. De Japanse autoriteiten beloofden aan de Indonesiërs een einde van het kolonialisme en een 'Groot-Aziatische welvaartssfeer'.
Niets was echter minder waar. Het toenmalige regime werd gekenmerkt door geweld, vernedering en militarisme. De Europese bevolkingsgroep werd geïnterneerd in afgesloten kampen, waar een zwaar regime heerste. Bijzonder moeilijk was het voor degenen die moesten werken in Japan en aan de spoorwegen op Sumatra en in Birma. Velen zijn aan uitputting en mishandeling gestorven. De Indische Nederlanders kwamen in een onmogelijke situatie terecht. Zij bleven deels buiten de interneringskampen, maar er werd zware druk op hen uitgeoefend om het Japanse regime te steunen. De meesten van hen waren hier niet toe bereid, omdat zij zich het meest met de Nederlanders identificeerden.

Onafhankelijkheidsverklaring en repatriëring uit Indonesië
Op 17 augustus 1945, twee dagen na de Japanse capitulatie, Riepen Soekarno en Hatta de onafhankelijke Republik Indonesia uit. Al spoedig bevonden grote delen van Java en Sumatra zich in een toestand van revolutie. De Indonesische nationalisten verzetten zich fel tegen de komst van Britse en Nederlandse troepen. In deze chaotische tijd was er een gezagsvacuüm die werd opgevuld door jongerenmilities die streden voor de onafhankelijke republiek, maar ook milities die zich aan iedere vorm van Indonesisch gezag onttrokken en wiens geweld zich keerde tegen Nederlanders, Indische Nederlanders, Chinezen en Indonesiërs die verdacht werden pro-Nederlands te zijn. Weliswaar leidden de onderhandelingen tussen Nederland en de Republik Indonesia in 1946 tot het akkoord van Linggadjati, maar er waren nog drie jaren van geweld nodig voordat de soevereiniteitsoverdracht kon plaatsvinden.
Tussen 1945 en 1949 waren al zo'n 44.000 mensen naar het moederland geëmigreerd, merendeels 'totok'-Nederlanders, die nog maar net uit de interneringskampen waren bevrijd. Na 1949 kwam er een ware exodus op gang van Indische Nederlanders die geen toekomstperspectieven meer zagen in een onafhankelijk Indonesië. Bijna alle functies die zij voor de oorlog hadden bekleed in het landsbestuur, vielen nu toe aan Indonesiërs. Tussen 1948 en 1958 emigreerden zo'n 140.000 mensen naar Nederland. Rond 1958 kwam er een nieuwe repatriëringsgolf op gang, veroorzaakt door het Nederlands-Indonesische conflict rond Nieuw Guinea. In deze tijd kwamen wederom 71.000 repatrianten naar Nederland. Na 1963 volgde de laatste emigratiegolf naar Nederland van de zogenaamde 'spijtoptanten'; Indische Nederlanders die aanvankelijk voor het Indonesische staatsburgerschap hadden gekozen, maar later geen andere uitweg zagen om alsnog voor het Nederlandse burgerschap te opteren. In het kielzog kwam ook een groep Chinezen mee die het in Indonesië steeds moeilijker kreeg.

Integratie
Voor velen die in Nederlands-Indië waren opgegroeid, was de repatriëring een vreemde en vaak pijnlijke gewaarwording. Zij waren vaak geheel Nederlands opgevoed, maar zij kwamen in een moederland waar het koud bleek te zijn en dat velen nooit gekend hadden. Bovendien hadden de meesten vrijwel alles verloren. In Indië hadden velen een zekere mate van welstand gehad maar moesten in Nederland helemaal onderaan de maatschappelijke ladder beginnen.
Door de naoorlogse woningnood werden de repatrianten jarenlang in contractpensions opgevangen, waardoor hele families op één kamer werden gehuisvest. De Nederlandse houding tegenover de repatrianten nam verschillende vormen aan. Zo was er bereidwilligheid te bespeuren om de repatrianten op te vangen en te integreren. Er werd een landelijk netwerk opgezet van sociale werkers die zich bezighielden met de noden van de nieuwe Nederlanders. De arbeidsbureaus hielpen actief bij het vinden van een baan en met omscholingscursussen.
Aan de andere kant was er duidelijk een tendens bespeurbaar van cultureel onbegrip. Er werd in Nederland weinig rekening gehouden dat de Indische gemeenschap al voor de oorlog al verregaand geïntegreerd was in de Nederlandse maatschappij. Niet zelden werd tegenover de Indische Nederlanders een paternalistische, belerende houding aangenomen. Aan hen moest immers worden 'bijgebracht'dat zij uit een 'onderontwikkeld' land afkomstig zouden zijn!
Deze bewuste of onbewuste politiek van verregaande aanpassing zorgde ervoor dat aan de jongere generatie weinig Indische cultuur werd doorgegeven; men moest immers zijn of haar best doen en zeker niet de kop boven het maaiveld uitsteken! Onder de tweede generatie Indische Nederlanders is er inmiddels een verandering zichtbaar geworden. Het stilzwijgen van de eerste generatie is geleidelijk aan doorbroken en komen meer Indische Nederlanders zelfbewuster uit voor hun eigen identiteit binnen de Nederlandse samenleving. De vele muziekbandjes bijvoorbeeld zijn daarvan een voorbeeld. 'Indo-rock' werd in de jaren zestig een begrip. Kumpulans, tentoonstellingen en een stroom aan publicaties zijn een teken dat de jongere generaties meer willen weten van hun eigen culturele en historische achtergronden.