| Opvang in Nederland |
| zaterdag, 27 juni 2009 16:47 |
|
In het verarmde Nederland van na de oorlog was de opvang zeer elementair geregeld; men kreeg kleding uitgereikt en had gemeenschappelijke maaltijden. De woningnood werd door de komst van zoveel repatrianten nog een extra groot probleem. Een helpende hand van grote betekenis voor de repatrianten was de stichting “Pelita”. Oorspronkelijk door slachtoffers van de Bersiap-periode opgericht, hielp de stichting de repatrianten op verschillende terreinen: met rechtsbijstand, hulp bij het verkrijgen van oorlogsuitkeringen en vooral bij het bouwen van woningen. In verschillende steden werden appartementen gebouwd, herkenbaar aan het olielampje als gevelsteen. Ook in Apeldoorn zijn Pelita woningen gebouwd aan de Asselsestraat tussen de Treverilaan en de Chamavenlaan. De activiteiten van de stichting hadden de warme belangstelling van H.M. Koningin Juliana, die bij verschillende woningen de eerste sleutel aan de bewoners heeft overhandigd. De Nederlandse houding tegenover de Indische Nederlanders, maar ook in mindere mate de Hollandse “totoks”, nam verschillende vormen aan. Aan de ene kant was er veel welwillendheid te bespeuren bij de opvang hetgeen tot uitdrukking kwam in de bereidheid om de repatrianten op te vangen. Er werd een netwerk opgezet van sociale werkers die zich bezig hielden met de noden van de nieuwe Nederlanders. De arbeidsbureaus hielpen actief bij het vinden van een baan en de overheid had bepaald dat minstens vijf procent van de woningwetwoningen ter beschikking gesteld moesten worden aan repatriantenfamilies. Aan de andere kant was er duidelijk een tendens bespeurbaar van cultureel onbegrip: Er werd weinig rekening gehouden met het feit dat de Indische gemeenschap al voor de oorlog deel uitmaakte van de Nederlandse samenleving. Niet zelden werd tegenover de repatrianten een paternalistische houding aangenomen, aan wie nog van alles en nog wat moest worden “bijgebracht”, alsof zij uit een “apenland” afkomstig waren! Sociaal werkers kwamen controleren of de repatrianten wel een Hollands “sociaal” huishouden voerden. Als er over een familie gerapporteerd werd dat zij een “net gezin” vormden met een “volledig westerse huishouding”, kwamen zij in aanmerking voor zelfstandige huisvesting. Deze bewuste of onbewuste politiek van assimilatie leidde ertoe dat de Indische Nederlanders buiten de geborgenheid van de familiekring zich in vérgaande mate moesten aanpassen aan de Hollanders. Het devies was dat men de kop niet moest uitsteken boven het maaiveld. De eerste generatie geneerde zich niet zelden over de specifiek Indische kenmerken die zij hadden meegekregen uit Nederlands-Indië. Op school was het woord “Indo” een scheldwoord, temeer omdat Indische kinderen door hun huidskleur in Nederland een herkenbare groep vormden. Gevolg van dit alles was dat de eerste generatie vooral bezig was een plaats te vinden in de Nederlandse samenleving en er weinig “Indische cultuur” werd doorgegeven aan de jonge generatie. In de jaren zestig was er een verandering merkbaar onder een deel van de tweede generatie. Muziekgroepen als de “Blue Diamonds” traden naar voren, die in feite een erfenis waren van de rijke Indische muziekcultuur. In sommige kringen werd “indo-rock” een begrip. Een van de verbindende elementen voor de Indische gemeenschap werden tijdschriften als “Moesson” en “Tong Tong”. Verder treffen Indische Nederlanders elkaar op de talrijke pasars malam, en gezelligheidsbijeenkomsten ( koempoelans). In Apeldoorn zijn geregeld uitzendingen te horen van radio Mari Hati, die aandacht besteedt aan allerlei aspecten van de Indische cultuur. Hoe zijn de Indische Nederlanders terechtgekomen? Door de assimilatiepolitiek van de Nederlandse overheid zijn zij over heel Nederland verspreid geraakt en vormen nauwelijks nog een homogene etnische minderheid zoals wel te zien is bij bijvoorbeeld de Molukkers. In de jaren vijftig vonden veel Indische Nederlanders een woning in de nieuwbouwwijken van Apeldoorn-Zuid, in latere jaren vooral in Kerschoten en Zevenhuizen. Wat betreft de beroepen is er wel een tendens zichtbaar dat nogal wat Indische Nederlanders terecht zijn gekomen in de overheidssector; met vindt hen dikwijls terug als ambtenaar, in Apeldoorn zijn zij goed vertegenwoordigd bijonderandere bij de belasting-dienst. Ook hebben veel Indische Nederlanders van de tweede generatie carrière gemaakt in de Krijgsmacht, daarmee het voorbeeld volgend van hun voorvaderen. Verder treft men veel Indische mensen aan in de creatieve en culturele beroepen, als bijvoorbeeld Wieteke van Dort, Yvone Keuls, Jos Brink, Boudewijn de Groot, Erst Jansz enz. In dit verband kan het nauwelijks een toeval zijn dat o.a. Jamai, de winnaar van het populaire televisieprogramma “Idols”, een Indische jongen is van de derde generatie. NabeschouwingIn totaal zijn na de tweede wereldoorlog bijna 290.000 repatrianten uit het voormalige Nederlands-Indië naar Nederland gekomen. Samen met hun nakomelingen vormen zij de grootste “allochtone” groep binnen de Nederlandse samenleving. Van de meeste andere allochtone groepen die later zijn aangekomen, onderscheiden zij zich in die zin dat zij al vertrouwd waren met de Nederlandse taal, cultuur en gewoonten en daardoor reeds deel uitmaken van de Nederlandse samenleving. Desondanks werd in de jaren vijftig direct of indirect druk uitgeoefend om geheel te “assimileren” en in de Nederlandse samenleving op te gaan. In ieder geval veel meer dan het geval was bij latere nieuwkomers. Het gevolg was dat de meeste Indische Nederlanders van de eerste generatie tegenover hun kinderen hebben gezwegen over hun culturele wortels. De Indische gemeenschap in Nederland is aan het afnemen, deels door gemengde huwelijken, deels door een minder ontwikkeld saamhorigheidsgevoel. Desondanks is bij de tweede en derde generatie een proces gaande waarbij men op zoek gaat naar de Indische wortels. Het “assimilatieproces” is momenteel reeds ver doorgevoerd, maar men heeft het gevoel dat er ook een stuk eigen Identiteit verloren dreigt te gaan. Deze Indentiteit wordt natuurlijk door ieder op eigen wijze beleefd, maar er zijn toch een aantal waardevolle factoren die steeds genoemd worden. Zo is er de sterke familieband, het informeel en gezellig samenzijn die in de Nederlandse samenleving wel eens wordt gemist. Verder de behoefte aan correcte omgangsvormen, gericht op het voorkomen van gezichtsverlies van een ander. Dit in tegenstelling tot de gebruikelijke directe, en zakelijke rechtvoor z"n raapmentaliteit van de hollanders. De culturele diversiteit van de Indische gemeenschap wordt ook gezien als een verrijking van de samenleving zoals de muziekcultuur, dans, beeldende kunst, eetcultuur en sowieso de creativiteit die onder velen leeft. De belangrijkste doelstelling van velen is echter, en niet alleen Indische Nederlanders maar ook allen die in Indië zijn opgegroeid, om vragen te stellen aan de oudere generatie. Hoe is het vroeger in Indië geweest? Welke zijn onze wortels? De eerste generatie die zich in Nederland heeft gevestigd heeft voornamelijk gezwegen. Het doel van de organisatoren van deze tentoonstelling is om aan belangstellenden te laten zien wat de achtergrond is van de Indische gemeenschap en een uitnodiging aan allen die Indische wortels hebben om vragen te stellen, vragen over ons eigen verleden en onze eigen identiteit binnen de Nederlandse samenleving. Bankbiljetten van Nederlands-Indië 1930-1935
Ook op de achterzijde was het de uitdrukkelijke wens van de directie om Indische motieven te gebruiken: op het tien-guldenbiljet stond bijvoorbeeld het koninklijke “sawat” motief, een gestileerde Garuda (Mythische vogel). De wetteksten waren opgesteld in het Nederlands, Maleis, Javaans en Chinees. Deze bankbiljetten bleken uitermate geslaagd te zijn. Nooit eerder was er zo veel moeite gedaan om Indonesische culturele motieven in moderne bankbiljetten op te nemen. Dat werd natuurlijk ook gedaan om De Javasche Bank status te geven onder de inheemse bevolking. Al met al overtroffen de bankbiljetten aan schoonheid zelfs het geld dat in het moederland in omloop was. Bankbiljetten als slag om de loyaliteit van de bevolkingIn 1946 had het republikeinse bewind op Java en Sumatra al snel eigen bankbiljetten laten uitgeven met het portret van president Soekarno. Zij waren voornamelijk bedoeld om de onafhankelijkheid te benadrukken. De Nederlandse overheid had in de Verenigde Staten in 1943 reeds provisorische bankbiljetten laten aanmaken met het rijkswapen en het portret van Koningin Wilhelmina. Er waren toen nauwelijks Indonesische kenmerken op te zien. Pogingen in latere jaren om het Nederlandse geld alsnog geaccepteerd te krijgen onder de Indonesische bevolking leidde ertoe dat de Nederlandse taal steeds meer ging wijken voor het Maleis. Bij de laatste biljetten van 1949 werd zelfs de naam “Indonesia” overgenomen. Nederlands-Indië was nu ook op het betaalmiddel verleden tijd geworden. De repatriëringHet vlaggeschip van de Holland-Amerikalijn uit 1938, de Nieuw Amsterdam, was het grootste passagier-schip van de Nederlandse vloot. Dit schip had tijdens de tweede wereldoorlog als troepentransportschip voor de geallieerden grote diensten bewezen. Eind 1945 en begin 1946 maakte dit schip twee keer een reis naar Indië om repatrianten mee naar Nederland te nemen, die kort daarvoor uit de Japanse kampen waren bevrijd. Het overgrote deel van de Nederlanders en Indische Nederlanders is in de periode 1945-1955 op dit soort schepen naar Nederland gerepatrieerd. |

In de beginperiode rond 1946 was de opvang ongecoördineerd en werden repatrianten vaak bij particulieren ondergebracht. Later veranderde dit en vonden zij een tijdelijk verblijf in pensions en kazernes. De Indische Nederlanders werden over het hele land verspreid, maar toch waren er belangrijke vestigingsplaatsen. Na Den Haag was Apeldoorn het tweede opvangcentrum voor repatrianten. Zij vonden een doorgangshuis in pensions als “Anella” aan de Tutein Noltheniuslaan, pension “Roos”, en, met speciale toestemming van H.M. Koningin Wilhelmina, Paleis het Loo.
In 1930 besloot de hoofddirectie van De Javasche Bank, de circulatiebank van de kolonie, om een nieuwe serie bankbiljetten uit te geven. Deze ter vervanging van het verouderde bankpapier met het portret van Jan Pietersz. Coen. De bankdirectie wenste dit keer een voornaam ogende serie bankbiljetten, die het gezag van de voornaamste bank van Nederlands-Indië moest onderstrepen. De ontwerper van de nieuwe bankbiljetten werd de bekende sierkunstenaar C. A. Lion Cachet (1864-1945). De directie van De Javasche Bank stuurde hem vanuit Batavia foto"s en ander materiaal die hij zou kunnen gebruiken. Het resultaat was een vorstelijke serie waarop adellijke Wajang Wongspelers van de vorstenhoven van Solo en Djokjakarta werden afgebe
eld.